Zorgverbreding op de Vlaamse Reus

Kind & Motoriek één van de onderdelen van de zorgverbredingZorgverbreding is de organisatie rondom kinderen die extra zorg nodig hebben. Zorg die de groepsleerkracht niet alleen kan bieden.

 

Wie krijgt op school extra zorg?

Aan elk kind wordt de nodige zorg besteed, maar sommige kinderen hebben wat meer zorg nodig dan andere. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een bepaald rekenprobleem niet meteen begrepen wordt of dat het lezen (nog) niet vlot gaat. Het kan ook een gedrags-, sociaal-emotioneel of werkhoudingsprobleem zijn; bijvoorbeeld omdat het kind zich moeilijk kan concentreren of faalangstig is of moeite heeft met contacten met andere kinderen. Soms ligt het tempo in de groep voor bepaalde kinderen te laag of is de stof te gemakkelijk. Ook deze kinderen werken zoveel mogelijk in hun eigen tempo. Als het wenselijk is, wordt ook aan extra aanbod gedaan. Indien mogelijk, wordt dit in overleg met of met hulp van de ouders gedaan.

 

>> Wie geeft die extra zorg?

De groepsleerkracht geeft leerlingen de nodige zorg. Dit is echter niet voor elk kind voldoende; sommige kinderen hebben extra zorg nodig. Om ook dat kind de juiste zorg te bieden, is er een zorgverbredingsteam op school. Dit bestaat uit de intern begeleiders (één voor de onderbouw en één voor de bovenbouw) en de remedial teacher. Eén van de interne begeleiders coördineert de zorg. De intern begeleiders (IB’er) zijn er om de leerkrachten te helpen de aanpak steeds beter op de behoefte van de verschillende kinderen af te stemmen. De IB’er werkt niet zelf met deze kinderen. De remedial teacher werkt wél met kinderen die extra zorg nodig hebben.

 

>> Hoe wordt besloten of een kind extra zorg nodig heeft?

De groepsleerkracht observeert de kinderen tijdens hun spel of werk en bij de omgang met andere kinderen. Als er bijzonderheden opvallen, observeert hij nog gerichter. De groepsleerkracht informeert de ouders hierover. De bevindingen worden op papier gezet en besproken met de IB’er. Samen komen zij tot een bepaalde aanpak om het kind te helpen, het plan voor speciale aandacht (p.s.a.). Afgesproken wordt hoe lang met de nieuwe aanpak gewerkt wordt. De ontwikkeling wordt dan opnieuw bekeken. Als blijkt dat er geen of onvoldoende vooruitgang is geboekt, bespreekt de IB’er het kind met het interne zorgverbredingsteam (ZVO-klein). Daar wordt besproken of er verdere mogelijkheden zijn in de school (bijv. remedial teaching) of dat deskundigen van buiten de school moeten worden geraadpleegd (bijv. het ABC, de schoolarts, het Ouder-Kind-Team of begeleiding vanuit SPO-west).

 

Het ZVO-klein kan ook besluiten het kind voor verder advies in te brengen bij het ZVO-groot. Dat is een zorgoverleg met externen. Het zorgoverleg is dan uitgebreid met een, een schoolarts of -verpleegkundige, de buurtregisseur, de leerplichtambtenaar en een Ouder-Kind-Adviseur. De groepsleerkracht informeert de ouders wanneer hun kind in het ZVO-groot wordt besproken. Iedere deelnemer aan het ZVO-groot kan vervolgens actie ondernemen als het probleem zich op zijn gebied voordoet. Als externe instanties worden ingeschakeld, gebeurt dit altijd met toestemming van de ouders. Met hulp van deze instanties wordt het p.s.a. voor een bepaalde periode bijgesteld of wordt er tot nader onderzoek besloten. Voor dit laatste gelden bepaalde aanmeldingsprocedures waarvoor toestemming van de ouders nodig is.

 

Wanneer samenwerking met de ouders niet plaatsvindt naar tevredenheid van de school wordt het kind anoniem besproken en kan worden besloten een zorgmelding te doen wanneer, naar mening van de deskundigen, het belang van het kind ernstig geschaad wordt of dreigt te worden.

 

>> Hoe worden de ouders ingelicht?

Als de groepsleerkracht bijzonderheden opmerkt, wordt er contact opgenomen met de ouders en wordt met hen de eventuele oorzaak doorgesproken. Het kind kan bijvoorbeeld thuis even een moeilijke periode doormaken. Het beste voor het kind is dat ouders en leerkracht elkaar op de hoogte houden. Samen wordt een tijdelijke aanpak bedacht, zoals thuis oefenen of juist alles even laten rusten. Levert dat geen resultaat op, dan legt de leerkracht het probleem voor aan de intern begeleider. De procedure gaat dan zoals hierboven beschreven. De ouders worden door de groepsleerkracht van elke stap op de hoogte gebracht.

 

Ouders hoeven niet te wachten tot de leerkracht hen uitnodigt voor een gesprek. Zij kunnen zelf ook altijd een afspraak maken (na schooltijd) wanneer zij dat in het belang van hun kind achten.

 

Van de ontwikkeling van elk kind houdt de school een dossier bij. Ouders mogen dat op aanvraag altijd inzien.

 

>> Extern onderzoek en advies

Als de school er zelf met een kind niet uitkomt, kan er advies worden gevraagd bij externe instanties. Hiervoor krijgt de school een beperkt budget toegewezen. Als de school een externe instantie wil inschakelen, gaat dit altijd in overleg met de ouders. Zij geven hiervoor eerst schriftelijke toestemming.

 

Voordat een externe deskundige advies kan geven, moet hij eerst onderzoek doen. Dat onderzoek kost de school veel geld; we verwachten dan ook dat ouders vooraf toestemming geven de resultaten van het onderzoek te delen met de school.. Een vast onderdeel is een pedagogisch-didactisch onderzoek (PDO). Per kind wordt bekeken of verder onderzoek nodig is en zo ja, wat voor onderzoek. Dat kan gaan om een huisbezoek, een observatie in de klas en/of een psychologisch onderzoek. De externe partij informeert de ouders en de school wanneer het onderzoek zal plaatsvinden. Het onderzoek wordt op school gedaan. Als het onderzoek is afgerond, wordt het verslag met de ouders en de school besproken. Gezamenlijk wordt afgewogen wat in het belang is van het kind. (bijv. aangepast lesmateriaal, een bepaalde aanpak thuis of verwijzing naar een hulpverlenende instantie, soms een onderwijsvorm die beter is toegerust voor uw kind).

 

>> Wat gebeurt er als de school een kind niet meer kan helpen?

Het beleid vanuit het Ministerie van Onderwijs is erop gericht kinderen zoveel mogelijk op de basisschool onderwijs te laten volgen. Wij onderschrijven dit beleid en doen er alles aan zoveel mogelijk kinderen op De Vlaamse Reus te houden. Als – met alle hulp en advies – blijkt dat de mogelijkheden van de school om het kind verder te helpen uitgeput zijn, wordt de ouders geadviseerd om samen met de school te zoeken naar een andere vorm van onderwijs. De school schrijft dan een uitgebreid rapport. Op basis van dit rapport adviseren deskundigen op welke school uw kind het best geholpen kan worden. Dit rapport wordt met de ouders besproken en gezamenlijk ondertekend. Aan een verwijzing gaat een lang traject vooraf waarbij ouders intensief betrokken worden.

 

>> Wat gebeurt er als uw kind langdurig ziek is?

Het gebeurt gelukkig niet vaak, maar ook een kind kan langdurig ziek worden. Het is dan voor langere tijd thuis of in een ziekenhuis en mist in die periode een flink stuk onderwijs. Daarvoor zijn enkele voorzieningen geregeld die ervoor zorgen dat het kind niet al te veel achterop komt in zijn leerproces. De intern begeleider kan u vertellen hoe dit georganiseerd wordt.

 

>> Opvoedondersteuning

Opvoeden is een bijzonder ingewikkeld proces. Bij iedereen verloopt dat anders en zelden verloopt het probleemloos. Het leren van een kind kan bijv. beïnvloed worden door problemen in de opvoeding. Een kind kan slecht willen eten / luisteren / slapen, regelmatig ruzie hebben, bang of onzeker zijn. Om hier goed mee te kunnen omgaan, bestaat op school de mogelijkheid om, vrijblijvend en vertrouwelijk, te praten met een ouder-kind-adviseur. Met zo’n gesprek kunnen kleine problemen worden opgelost. Laat die problemen dus niet groter worden en kom naar het ouder-kind-spreekuur. Daar zijn u en uw kind bij gebaat.

 

Via de leerkracht van uw kind kunt u altijd informatie vragen over het waar en wanneer van dit spreekuur. Ook wordt u geïnformeerd via posters op de prikborden en in de Vlaamse Post.

 

Bovenschoolse zorg

Als een kind meer zorg nodig heeft dan de school kan bieden dan neemt het schoolbestuur zijn verantwoordelijkheid. De adresgegevens vindt u in de schoolagenda.

 

>> Sociaal emotionele training (SO&T)

Sociaal emotionele training, één van de onderdelen van de zorgverbredingSoms heeft een kind op sociaal emotioneel gebied een kleine ondersteuning nodig om een grote stap te maken. Hiervoor verzorgt de school één keer per jaar een serie SO&T trainingen, ook wel bekend als de Reuzentraining. Met ca. 8 kinderen wordt een achttal keren gewerkt.

 

Op school zijn twee leerkrachten gecertificeerd om sociaal emotionele training te verzorgen. Dit is een lichte versie. Wanneer leerkracht en interne begeleiders denken dat uw kind hier baat bij kan hebben zal de leerkracht met u in gesprek gaan. Wanneer u en wij de zin van dit traject inzien dan wordt uw kind ingedeeld en kan het gratis meedoen. Wel verwachten we van u dat u aanwezig bent bij de intake en de afronding van het traject.

 

Om in aanmerking te komen voor deze training mogen kinderen geen gróte sociaal emotionele problematiek hebben, mag er geen sprake zijn van een lage intelligentie.

 

Meer informatie: