De verdwijning van Kees de Killer

Een schoolreisverhaal

door

Meester Chris

De verdwijning van Kees de Killer

 

Inhoud

Hoofdstuk 1 Het plan
Hoofdstuk 2 Mislukt?
Hoofdstuk 3 Toch nog beet
Hoofdstuk 4 Opnieuw paniek
Hoofdstuk 5 Het verschil tussen 47 en 21
Hoofdstuk 6 Achter de blauwe smurf
Hoofdstuk 7 Een vreemd telefoontje
Hoofdstuk 8 Acht uur is wel heel erg vroeg
Hoofdstuk 9 Generaal de Marmont
Hoofdstuk 10 Nog een keer van voren af aan
Hoofdstuk 11 Ontdekking op een simkaart
Hoofdstuk 12 Een driedubbele speurtocht
Hoofdstuk 13 Veilig terug en verder
Hoofdstuk 14 Onder de pyramide
   

 

1
Het plan

Een paar weken voordat groep 7 op schoolreis zou gaan, was het eigenlijk allemaal al begonnen.
Toen de meester en de juf vertelden dat de driedaagse schoolreis dit keer naar Zeist in Utrecht ging
en dat er over het programma nog verder zou worden gesproken, had één van de leerlingen gevraagd
of dit jaar ook weer Kees de Killer werd gespeeld. Het antwoord was: “Ja, natuurlijk!”
Al jaren werd tijdens dit soort schoolreizen dat spel gespeeld en veel leerlingen wisten
van broers of zussen hoe spannend dat kon zijn.
Na schooltijd spraken Gabritt, Javin, Lisanni en Misha met elkaar over Kees de Killer.
Op dat moment ontstond het plan om dit jaar niet als dollen op de vlucht te slaan voor die figuur,
maar om hem eens een tijdje te volgen en te zien wat hij nu allemaal precies deed om anderen
zo bang te maken. Elke keer als ze elkaar zagen, kreeg het plan meer vorm.
Bij Gabritt thuis zaten ze er kort voor de schoolreis weer over te praten:
“Tja, dan moeten we natuurlijk geen zaklantaarns aan hebben.” merkte Gabritt op.
“ Da’s waar,” zeiJavin, “maar hoe kunnen we dan zien waar we lopen?”
“Daar heb je gelijk in,” zei Lisanni, “straks lopen we nog tegen een boom of in een kuil of zo.”
“Ach joh, dat valt best mee.” zei Misha. “Dat denk ik ook,” zei Gabritt,
“als je eenmaal aan het donker gewend bent, zie je nog aardig wat.”
“Nou, ik ben op de camping eens een keer ’s nachts mijn bed uit geweest om naar de WC te gaan.
Dat viel behoorlijk tegen hoor. Ik dacht dat ik overal vreemde dingen zag.” zei Lisanni.
“Als je nu al bang bent, moet je niet mee doen!” riep Javin.
“Jeetje, ik mag toch wel eerlijk zeggen dat het soms een beetje eng kan zijn?” vroeg Lisanni.

“Ja, vind ik ook.” zei Misha. “Laten we niet stoerder doen dan we zijn.
Ik vind het ook niet leuk om ’s nachts mijn bed uit te moeten om naar de WC te gaan.
Alles ziet er toch anders uit.”
“Dan mag je wel eerst kijken of er een krokodil onder je bed zit.” plaagde Javin nog een beetje door, maar toen hij de vernietigende blik van Gabritt zag, stopte hij toch.
“We moeten goed bedenken dat het om Kees de Killer gaat!” vervolgde Javin.
De kinderen waren zo heftig met elkaar in gesprek dat ze niet gezien hadden
dat de vader en moeder van Gabritt belangstellend mee stonden te luisteren.
“Zeg, wat praten jullie toch steeds over die Kees de Killer?” vroeg Gabritts vader.
Haar moeder had blijkbaar al een tijdje langer staan luisteren, want ze zei:
“Dat gedoe over ’s nachts opstaan bevalt me niks.
Ik ga op school praten en vragen wat er aan de hand is!”
De kinderen keken elkaar aan. Wat had Gabritts moeder allemaal gehoord?
Had ze door dat zij achter Kees de Killer aan wilden gaan?
Als ze met één van de meesters of juf Cielke ging praten, was alles bedorven.
Met een vragende blik keek Lisanni naar Gabritt.
“Doe iets!” seinde ook Javin met zijn ogen. “Mam, het is maar een spelletje.” probeerde Gabritt,
maar haar moeder keek ongelovig.
“Ik ga eerst op school praten. Kees de Killer, dat klinkt toch niet als een spel.”

En inderdaad: de volgende dag ging de moeder van Gabritt mee naar school.
Ze liep mee naar binnen en vroeg meester Timon of hij iets wist van Kees de Killer.
“Ja, dat is een spel dat we gaan spelen tijdens de schoolreis,” vertelde hij,
“maar juf Cielke weet er meer van.”
En zo kwam Gabritts moeder bij juf Cielke van de andere groep 7.
Die legde uit dat dit spel al jaren op driedaagse schoolreizen wordt gespeeld.
Als het donker is geworden, gaan de leerlingen in groepjes het bos in en proberen
ze de begeleiders te vinden. Die maken dierengeluiden en elke keer als zo iemand wordt gevonden,
krijgt het groepje een kaartje. “O, gewoon het dierengeluidenspel dus.” stelde Gabritts moeder vast.
“Klopt,” zei juf Cielke, “het verschil is dat tijdens dit spel iemand rondloopt die de kinderen zo’n kaartje weer kan afnemen. Hij besluipt een groepje en maakt ze met een kreet aan het schrikken.
Als de leerlingen niet weten weg te komen, moeten ze een kaartje inleveren.”
“Vinden ze dat dan niet ontzettend eng?” vroeg de moeder van Gabritt.
“Soms wel, maar de meesten weten wel dat het maar iemand van de begeleiding is.”
antwoordde juf Cielke. Gerustgesteld ging de moeder naar huis.

Toen Gabritt hoorde wat juf Cielke had verteld, zei ze: “Zie je nou wel, mam, het is gewoon een spel.”
En opgelucht haalde ze adem. Op haar kamertje belde ze meteen met de anderen.
“Alles is Oké jongens, maar we moeten nu wel voorzichtig zijn als we onze plannen bespreken.
Niemand mag verder iets merken!” Dat leek de anderen een goed plan en ze besloten om alleen nog buiten af te spreken als ze over het volgen van Kees de Killer wilden praten.
De tijd kon ze nu niet vlug genoeg gaan. Wat leek het nog lang te duren voor de schoolreis begon.
Eerst nog een hele meivakantie wachten, maar dan was het toch zover.
Sjouwend met koffers, tassen en slaapzakken zag je iedereen naar school komen.
Gabritt, Javin, Lisanni en Misha gingen een beetje bij elkaar staan, maar ze konden natuurlijk nu helemaal niet praten over hun plan om tijdens het spel Kees de Killer te volgen.
Wel keken ze rond wie van de begeleiders de rol van Kees de Killer zou gaan spelen.
Of zouden het er weer twee zijn, zoals een paar jaar geleden?
(Een broer van iemand uit de klas had dat verteld.)

En eindelijk, eindelijk gingen ze dan op weg naar de plek waar het allemaal zou gaan gebeuren.
“Ik ben benieuwd hoe de slaapzalen eruit zien.” zei iemand.
“Ik ben meer benieuwd hoe Kees de Killer eruit ziet.” dacht Javin, maar hij zei het maar niet hardop.

 

2
Mislukt ?

Wat een wonderlijke dag werd die eerste schoolreisdag.
Eigenlijk konden Javin, Gabritt, Lisanni en Misha nauwelijks van de spelletjes genieten.
Elke keer sprongen hun gedachten naar wat er later op de avond zou gebeuren en hoe
zij Kees de Killer zouden laten schrikken. “Laat de anderen maar gillend wegrennen,
wij zullen hem een lesje leren.” zei Javin telkens.
Het leek wel of hij bijna alleen maar daarom met de schoolreis meegegaan was.
Toch begon het kennelijk ook anderen op te vallen dat het viertal regelmatig over iets
geheimzinnigs zat te praten. Tijdens de lunch zaten ze al met z’n vieren aan tafel toen even later Danlo, Dellakil, Jimbe en Yandro aanschoven.

“Mogen we bij jullie komen zitten?” vroeg Dellakil en hij keek de anderen onderzoekend aan.
“Wat voor geheimzinnigs hebben jullie toch steeds te bespreken?” vroeg Jimbe.
“We zien jullie steeds maar bij elkaar staan en je houdt je mond zodra er iemand anders in
de buurt komt.” “Ja, jullie kunnen aan ons toch wel vertellen wat er gaat gebeuren?” merkte Yandro op. “Wij zullen jullie heus niet verraden hoor.”
“Oké dan,” begon Gabritt en ze deed of ze de schop van Javin niet voelde en de vernietigende
blik van Misha niet zag. “We zijn van plan om een geintje uit te halen met de leiding,
maar we hoorden van anderen dat de meester en juf bijna niet slapen.”
“Wat dan?” vroeg Danlo. “Kunnen we soms helpen?” “Lijkt me niet.” antwoordde Gabritt.
“Hoe minder mensen ervan weten hoe beter.” “Klopt,” viel Misha meteen in, “als de grap lukt,
zullen jullie er nog lang genoeg van kunnen genieten.”
“Maar je kunt toch wel iets vertellen?” smeekte Dellakil. “Ik barst van nieuwsgierigheid.”
“Laten we er nog even over nadenken.” stelde Javin voor.
“Misschien vertellen we jullie na het laatste spel vanavond wel wat we van plan zijn.”
“Oké, dan spreken we vlak voor het slapen gaan bij ons op de kamer af.” bedacht Jimbe.

Ze spraken nu verder over allerlei andere dingen en konden zo de aandacht van
de tafelgenoten een beetje afleiden. “Weet je,” zei Lisanni na de lunch,
“misschien moeten we tijdens het avondeten niet bij elkaar aan één tafel gaan zitten.
Dan vallen we minder op.” “Goed idee,“ vond Javin,
“dan spreken we af dat we elkaar weer opzoeken bij de uitleg van het Kees de Killerspel.

Zo verliep de eerste dag en kwam eindelijk dan toch het moment waar ons viertal
zo lang naar het uitgekeken: Het spel met Kees de Killer.
Al tijdens de uren ervoor hadden de kinderen gekeken of er soms iemand van de leiding
weg was gegaan om zich als Kees te verstoppen in het bos of om zich om te kleden of zo.
Maar nee, alle begeleiders waren er nog.
“Ik denk dat ze op het laatste moment pas iemand laten vertrekken, zodat het niet opvalt.”
fluisterde Javin. “Dat geloof ik ook.” fluisterde Gabritt terug.
Ze was vlak naast Javin gaan staan om in ieder geval in hetzelfde groepje te worden gekozen.
Ook de twee anderen schoven steeds meer in hun richting, maar dat bleek allemaal niet nodig.
Iedereen die mee wilde doen, liep in één grote groep mee naar het startpunt van het spel
en pas daar mocht je zelf groepjes maken.
Wie niet zonder begeleider wilde gaan, kon mee met iemand van de leerkrachten of ouders.
De meeste kinderen kozen voor een klein groepje, waarmee ze op het geluid van de dieren zouden afgaan en zo een kaartje verdienen.
Misha, Javin, Lisanni en Gabritt stonden dicht bij elkaar en wilden al weg.
Op dat moment kwam Dellakil bij ze staan. “Ik doe met jullie mee, oké?”
Geschrokken keken de vier elkaar aan.
Wat nu? Konden ze hem zomaar wegsturen? Wie kon er zo snel een goede smoes bedenken?

“Eh…ja….nee….nou kijk….” begon Gabritt aan een uitleg, maar gelukkig werd ze gered door juf Cielke. Die kwam met Jimbe en Yandro naar ze toe lopen. “Dellakil, zou jij met deze twee mee willen gaan?
Zij willen dolgraag zonder begeleider aan het spel meedoen, maar ik vind een groepje van twee te klein. Als jij aanschuift, vraag ik nog iemand en hebben we een mooi groepje van vier.”
Dellakil kon niet anders dan ja zeggen en met een spijtig gezicht zei hij de anderen gedag.
“Tot straks dan maar.” zei hij toen hij met juf Cielke mee liep en hij gaf daarbij nog een vette knipoog.

De vier achterblijvers staken hun duim op en gingen meteen een stukje apart staan.
Niet alleen om er geen anderen meer bij te krijgen, maar ook omdat bijna alle anderen steeds
maar met hun zaklamp schenen. Daardoor zag je op een gegeven moment veel minder.
Hoe minder je je lamp gebruikte, hoe beter je ogen aan het donker konden wennen.
Ze waren dan ook blij toen het fluitsignaal klonk. Dit was voor de begeleiders het teken
dat de zoektocht begon en voor Kees de Killer dat hij op kinderjacht kon gaan.
De groepjes verspreidden zich langzamerhand door het bos.
“Moet je zien,” zei Lisanni, “je ziet precies waar de groepjes lopen, want ze gebruiken allemaal
hun zaklamp.” Dat was zo. Als je ogen een beetje gewend waren aan de duisternis,
zag je in de verte de groepjes verplaatsen.
“Dan moeten wij geen zaklantaarn gebruiken.” wist Javin nog eens te vertellen,
maar dat hadden ze eigenlijk van tevoren al bedacht. “Maar, hoe komen we nu bij Kees de Killer?”
vroeg Misha. “Tja, die gebruikt natuurlijk ook geen zaklamp.” wist Lisanni zeker.
“Klopt, maar misschien zien we hem wel lo…” wilde Gabritt zeggen, maar op dat moment klonk
er een afschuwelijke kreet en begonnen links van hen kinderen gillend door het bos te rennen.

“Help! Kees de Killer. Rennen!” klonk het uit de verte.
Even later gebeurde hetzelfde een klein stukje verderop.
Weer een kreet, gegil en kinderen die roepend, huilend en soms vallend hun weg zochten
door het donkere bos. “Daar moet hij dus zitten.” wees Javin en hij begon meteen die kant op te lopen.
De anderen volgden hem zo goed als ze konden.

“Niet meer praten en voorzichtig voortbewegen nu.” fluisterde Lisanni.
“Je hebt gelijk, Kees de Killer mag niets merken.” antwoordde Misha.
“Nou, als de anderen zo blijven schreeuwen, heeft hij ons niet in de gaten.” zei Gabritt.
Dat klopte, want je zag en hoorde steeds grotere groepen kinderen door het bos hollen.
“Terug naar de juf!” hoorde je al een paar keer. Toch was het Lisanni die op een gegeven ogenblik
stil stond en heel voorzichtig de anderen tegenhield.
“Ik heb steeds maar het gevoel dat wij worden gevolgd.” fluisterde ze zo zacht als maar kon.
“Dat idee heb ik ook steeds.” zei Gabritt. “Laten we langzamer gaan en steeds goed rondkijken.”
“Wie wil er achteraan lopen om de plekken achter ons in de gaten te houden?” vroeg Misha.
“Ik liever niet!” “Ik ook niet.” sprak Lisanni zacht.
“Laat mij dan maar,” zuchtte Gabritt, “maar wat doen we als we iets zien?”
“Kom op zeg, het is gewoon iemand die zich verkleed heeft en die heus niet echt leerlingen vermoordt! We gaan gewoon met onze ruggen tegen elkaar staan. Zo kunnen we alle vier de richtingen in de gaten houden als we iets zien dat we niet vertrouwen.”
Javin had het allemaal wat stoerder gezegd dan hij zelf voelde, maar het hielp de anderen wel.

Zo schuifelden ze langzaam en vooral zo stil mogelijk in de richting van waar zij dachten
dat Kees de Killer moest zijn.
Kees verplaatste zich soms snel en even later hoorde je weer een groep kinderen gillen en weghollen. Maar langzaam maar zeker kwamen onze vier plannenmakers dichter in de buurt van de Killer.
“HO, STOP!” siste Gabritt plotseling. “Ik voelde nu toch echt iets langs mijn schouder.”
“Ja, dat zal wel een blaadje of takje geweest zijn.” fluisterde Misha,
maar die keek toch ook behoorlijk benauwd. “Mooi niet, het voelde als een ijshand.
Ik kreeg er helemaal de rillingen van!” antwoordde Gabritt nijdig.

Ook de anderen werden nu ook een beetje nerveus.
Javin probeerde de boel te redden: “Heeft er iemand iets gezien dan?” vroeg hij.
“Nee, dat niet.” zei Gabritt. Ook van de andere drie was er niemand die iets had gezien of gehoord.
“Kom op, dan gaan we verder en houden onze ogen en oren goed open.”
“Ik weet niet of ik het nog wel zo’n goed idee vind.” bibberde Lisanni.
“Hoe denken jullie erover?” “Wou je hier dit groepje opsplitsen en alleen verder gaan?” vroeg Javin meteen. De andere twee durfden nu niets meer te zeggen en zo gingen ze weer op weg naar
Kees de Killer. Je kon steeds minder groepjes horen wegvluchten en ons groepje begon
zich af te vragen of ze nog wel bij Kees konden komen. “Hè, jammer, nu vinden we hem nooit meer.” fluisterde Misha, maar het klonk wel opgelucht.
“Laten we hier nog even blijven staan en kijken of we nog een kans krijgen.” stelde Javin voor.
De anderen stemden daarmee in en ze stonden stil te wachten op wat er zou gebeuren.

Vijf minuten lang (het leek wel een uur!) gebeurde er helemaal niets.
Het bleef stil en je zag geen enkele zaklamp.
Toen voelden ze alle vier tegelijk iets langs hun lichaam strijken.
“Hier, nu voel ik het weer!” zei Gabritt harder dan de bedoeling was.
“Ik voelde het ook.” zeiden Misha en Lisanni nu ook.
“Ja, ik ook,” zei Javin geïrriteerd, “maar we zien toch niets?”
Dat was waar, maar ze voelden zich helemaal niet op hun gemak.
Wat gebeurde er toch allemaal?
Waar was Kees de Killer gebleven?
En….waarom was het zo stil? Waar was iedereen?

Nieuwsgierig geworden naar het volgende hoofdstuk?
Los dan onderstaande code op en tik het antwoord in:

Welk getal hoort in de volgend reeks op de plek van het vraagteken:
16 14 13 11 10 8 ?