Ons schoolconcept

 

In de meest brede zin

Een kind heeft een hoofd, maar ook een hart.
Het leeft in een maatschappij met veel anderen samen en niet als geïsoleerd individu.
De ontwikkeling van jonge kinderen vormt een samenhangend geheel.
Die ontwikkeling in de meest brede zin is het doel van het onderwijs op de Vlaamse Reus.

De principes van OntwikkelingsGericht Onderwijs

O.G.O. is er altijd op uit de mogelijkheden waarover kinderen al beschikken systematisch uit te breiden; 
de leerkracht observeert en registreert wat een kind zelf al kan of weet en gaat na waar het de hulp
van de leerkracht bij nodig heeft.

Ontwikkeling is een proces van twee kanten:
kinderen hebben een eigen ontwikkelingskracht en zijn tegelijkertijd afhankelijk van de invloed van de omgeving,
met name de volwassenen (op school de leerkracht). 
Een kind kan heel goed aangeven wat het zelf belangrijk vindt om te leren;
daarnaast heeft ook de leerkracht  zijn bedoelingen en die probeert hij zoveel mogelijk te laten aansluiten
bij wat het kind interesseert.

Kinderen verschillen onderling in ontwikkelingsmogelijkheden, ontwikkelingstempo en in behoefte
aan ondersteuning bij ontwikkeling en leren.
Kinderen willen graag leren, maar niet iedereen kan professor worden (gelukkig maar!)
en niet iedereen leert even snel.
Daarmee wordt binnen O.G.O. rekening gehouden. 
Het ene kind heeft meer ondersteuning van de leerkracht nodig dan het andere.

Ontwikkeling en leren vinden plaats op basis van activiteiten en inhouden die voor kinderen persoonlijk 
zinvol zijn en betekenis hebben of kunnen krijgen.
Er wordt daarom veel thematisch gewerkt rond onderwerpen die de kinderen zelf belangrijk vinden.
Het heeft weinig zin om kinderen iets te leren, als het voor het kind  niet duidelijk is waarom het
dat leren moet of als het de interesse van dat kind totaal niet heeft. 
Het geleerde zal dan weer snel vergeten worden.

Ontwikkeling is sociaal-cultureel bepaald: kinderen leren door deelname aan de sociaal-culturele wereld. 
Een kind leeft niet op een kindereiland, het staat midden in de maatschappij met alle zijn normen en waarden, 
met zijn eigenaardigheden. In die maatschappij moet het kind leren deelnemen,
zich vrij te bewegen en zich te ontplooien.
Die omgeving wordt op o.g.o. scholen zoveel mogelijk nagebootst, er wordt zoveel mogelijk met echt materiaal
in een echte omgeving gewerkt en gespeeld (postkantoor, winkel, restaurant, trein, enz.) 
Maar ook de wereld van de verbeelding hoort bij het kind (rovers, ridders, spoken, heksen, sprookjes, enz.).

Ontwikkeling en leren worden bevorderd als leerkrachten zich opstellen als (meer wetende) partner van kinderen
en die elementen van activiteiten voor hun rekening nemen die een kind nog niet zelfstandig kan; 
een kind kan bijvoorbeeld een boek maken als het nog niet kan schrijven.
Als een kind dat graag wil,  kan het aan de leerkracht het verhaal precies vertellen,
de leerkracht schrijft het dan samen met het kind op.

Ontwikkeling en leren veronderstellen altijd interactie en communicatie;
daarom zijn sociale en communicatieve situaties noodzakelijk.
Een kind leert niet in zijn eentje, het leert door met anderen over allerlei zaken te praten,
dingen uit te proberen met en zonder hulp van een ander.
Op school kan een kind dat met de leerkracht doen, maar kinderen kunnen ook veel van elkaar leren.
Op een school waar het helemaal stil is, is in de visie van o.g.o. iets mis.

De doelen van OntwikkelingsGericht Onderwijs

Het opheffen van emotionele belemmeringen, het aankweken van zelfvertrouwen en nieuwsgierigheid. 
Kinderen die angstig of agressief zijn of anderszins niet goed met hun emoties kunnen omgaan,
zijn moeilijker in staat zich volledig open te stellen voor de wereld om hen heen en dus te leren. 
Als ze zelfvertrouwen hebben en nieuwsgierig zijn, durven ze te leren en dus ook fouten te maken.

Brede ontwikkeling:
actief zijn en initiatieven nemen; communiceren; uiten en vormgeven; samen spelen en samen werken; voorstellingsvermogen, creativiteit; verkennen van de wereld; reflecteren op het eigen gedrag;  redeneren en probleemoplossen; zelfsturing; zelfstandigheid. 

Kinderen moeten het gevoel hebben zelf competent te zijn en moeten zich niet afhankelijk van anderen opstellen.
Dit kan niet zonder, maar wel samen met anderen.

Specifieke kennis en vaardigheden:
grove en fijne motoriek; waarnemen en ordenen; woorden en begrippen; gereedschappen en technieken; sociale relaties; schematiseren en symboolvorming; geschreven en gedrukte taal; hoeveelheden en bewerkingen.

Specifieke kennis en vaardigheden zijn voorwaarden om je goed te kunnen ontwikkelen.

Hoe willen we dat bereiken?

Het ontwikkelingsproces kent geen leeftijdsgebonden overgangsmomenten,
zeker niet in de periode  van vier tot acht jaar.
Daarom wordt de onderbouw van de basisschool als een geheel gezien. 
De stimulering van de ontwikkeling van het kind gebeurt - doelbewust en systematisch -
vanuit de spelactiviteit naar de leeractiviteit en het leermotief.

In de onderbouw gaat het om vijf kernactiviteiten:

  • Spelactiviteiten:
    van manipulerend spel (alle mogelijkheden met je handen verkennen) en een eenvoudig rollenspel
    (ik ben de vader, ik ben de chauffeur, enz.) ,
    tot thematisch rollenspel (in het postkantoor ben jij de loketbeambte, en jij de klant en ik ben de postbode; 
    we hebben allemaal onze eigen taken zodat ons spel zo echt mogelijk lijkt),
    en regelspel (voor dit spel stellen we samen bepaalde regels op zodat het goed verloopt en iedereen weet waar hij zich aan te houden heeft).
  • Constructieve activiteiten:
    beeldend, bouwend en construerend spel en werk met bouwmateriaal, verbruiksmateriaal,
    spelmateriaal, beeldende middelen, plattegronden en schematische weergaven.
  • Gespreksactiviteiten:
    interactie en communicatie in kleine groepen, in kleine kring, 
    tijdens activiteiten in de groepskring.
  • Lees- en schrijfactiviteiten:
    krabbelboodschappen tijdens spel, taaltekenen, boeken en prentenboeken lezen,
    teksten maken, gedichten en verhalen maken, corresponderen.
  • Wiskundige activiteiten:
    op maat maken, wegen, afstanden schatten, hoeveelheden bepalen, tellen, aantallen noteren.
    In de midden- en bovenbouw worden deze activiteiten volgens dezelfde uitgangsprincipes verder uitgebouwd.

De rol van de leerkracht.

In o.g.o is het aandeel van de leerkracht van cruciaal belang.
Of kinderen inderdaad via kernactiviteiten tot de gewenste ontwikkeling komen,
is afhankelijk van de rol van de leerkracht.
Deze selecteert en ordent niet alleen activiteiten die voor de kinderen betekenisvol en ontwikkelingsbevorderend zijn, maar zorgt ook voor uitdagende en stimulerende begeleiding,
zodat kinderen ook inderdaad verder komen in hun ontwikkeling.

Samenwerken met kinderen en meedoen in de activiteit zijn daarin sleutelbegrippen, zodat zij de behoefte
aan vaardigheden bij de kinderen kunnen uitlokken en de leermomenten in de activiteiten kunnen benutten. Leerkrachten observeren dan ook ‘handelingsgericht’ en kunnen zo nagaan wat de volgende stap zal zijn. Leerkrachten geven kinderen die hulp en begeleiding die ze nodig hebben.

Omdat kinderen verschillen in ontwikkeling, stemmen leerkrachten hun hulp af op de behoeften van de kinderen. Leerkrachten handelen vanuit respect voor en vertrouwen in kinderen en hebben hoge verwachtingen van
de mogelijkheden van kinderen.
Daarbij trachten de leerkrachten zich zoveel mogelijk te verplaatsen in de  gevoels- en denkwereld van kinderen.